Ooit de graanschuur van zuidelijk Afrika. Nu een toneel van afbraak en hongersnood.
Armoede en honger ontstaan niet vanzelf. Het is een keten van opeenvolgende gebeurtenissen die het rad van rampspoed in gang zetten. De sporen gaan terug naar 1980. Robert Mugabe wordt president. Hij heeft aanvankelijk het goede voor met zijn land. Landhervormingsprogramma's moeten ervoor zorgen dat een eerlijk deel van de landbouwgronden die in blanke handen zijn, terug gaan naar de zwarte Zimbabwanen.
Maar het project strandt. De herverdeling is een puinhoop en de regering besluit in 2000 het land van de blanken via onteigening over te hevelen naar zwarte eigenaars. Mugabe heeft er allang geen aandacht meer voor; hij is inmiddels bedwelmd geraakt door de geur van dictatoriale macht.
De nieuwe eigenaars van de landbouwgrond hebben helaas geen ervaring met het bewerken van de bodem en het kweken van zaden en gewasen. Bovendien hebben ze geen geld om machines te kopen. De akkers liggen er dus troosteloos en onbewerkt bij. Als de akkers geen opbrengst hebben, zijn er geen werkers nodig om de oogst binnen te halen. En dus zitten de mensen werkeloos thuis. Er is niets wat verkocht kan worden en er is dus ook niets te eten. De gezinnen zitten als ratten in het nauw in een land dat op het randje van de afgrond balanceert.